Toen hij in het ziekenhuis lag en de eerste dagen zwaar depressief was, waren ze er steeds om hem op te monteren. Plus dat hij later thuis geen moment de kans heeft gehad om zich eenzaam te voelen en overladen is met fruitmanden, boeken en drankpakketten.
Zonder die steun zou zijn revalidatie, volgens hem, veel zwaarder zijn geweest en veel langer hebben geduurd. Waar Jan-Willem en zijn medespelers echter niet over te spreken zijn, is dat hij niets van de club heeft gehoord.
Als het achtste niet zo’n geweldig team was, zagen ze hem hier dan ook nooit meer en hij is niet de enige van zijn team die er zo over denkt. Wanneer ze een uurtje later bij de wedstrijd van het eerste staan te kijken, wordt hun negatieve gevoel nog veel sterker.
Als de spits kermend van de pijn neerstort en zijn been lijk te hebben gebroken, zien ze het bestuur namelijk in paniek het veld op rennen.
‘Voor jou renden ze niet zo hard, Jan-Willem.’
‘Volgens mij zijn ze niet eens even komen kijken hoe het met je was.’
‘Heb je nog steeds niets van hen gehoord?’
‘Nee, helaas niet.’
‘Dan spreek ik ze er binnenkort op aan, want dat vind ik een slechte zaak.’
‘Ik weet dat je het goed bedoelt, maar zwijg er alsjeblieft over. Aandacht is leuk, maar dat moet dan wel uit henzelf komen. Als ze bij me komen omdat anderen vinden dat het zo hoort, heb ik liever dat ze er blijven.’
‘Ze kunnen niet zeggen dat ze niets van je beenbreuk wisten.’
‘Klopt, want ik heb heel lang op dat veld gelegen en iedereen moet de ambulance hebben gezien.’
‘Ben benieuwd of het nu weer zo lang duurt voor de ziekenauto er is.’
‘Ze zullen dit keer wel gezegd hebben dat het om een spoedgeval ging.’
‘Niet overdrijven, jongens. De club kan er niets aan doen dat het zo lang duurde voordat er hulp kwam. Het is voor Theo te hopen dat hij daar niet zo lang hoeft te liggen, want dat is geen pretje. Als ik eraan terugdenk, voel ik de rillingen over mijn lichaam lopen.’
Omdat de jongens begrijpen dat Jan-Willem gelijk heeft, staken ze hun gezeur en beginnen ze over iets anders. Tot ze in de kantine zitten en hun leider naar de bestuurskamer wordt geroepen. Als hij terugkomt en vertelt wat hem gevraagd is, zijn ze namelijk gelijk weer woest.
‘Het is me nu duidelijk hoe het bestuur in elkaar steekt. Ze hebben namelijk alle leiders gevraagd of ze bij hun team geld in willen zamelen om iets voor Theo te kopen. Er is zelfs een schema gemaakt, zodat hij niet van acht teams tegelijk wat krijgt, maar van maximaal twee per week. Sorry Jan-Willem. Ik weet dat je er geen woorden meer aan vuil wil maken, maar ik kon me niet inhouden. Volgens mij ben ik duidelijk geweest, want ze keken nogal beteuterd toen ik uitgepraat was.’
‘Wat zeiden ze?’
‘Dat ze niets van je beenbreuk wisten, maar dat is geklets. De wedstrijd van het eerste heeft zelfs stilgelegen, omdat de ambulance anders niet bij veld drie kon komen. Dat heb ik ze ook gezegd, maar toen kwamen ze met de dooddoener dat ze er nog op terug kwamen. Ze zullen je dus eerdaags wel met een cadeau en een vage smoes komen verblijden.’
‘Ik ben benieuwd, maar waardeer het wel dat je gereageerd hebt.’
‘Gelukkig.’
‘Doen we trouwens aan de actie voor Theo mee?’
‘Ik heb gezegd van niet, maar vind eigenlijk dat die jongen er niets aan kan doen dat men Jan-Willem schandelijk behandeld heeft.’
‘Je hebt gelijk. Kunnen we hem niet op eigen houtje iets geven?’
‘Dat lijkt me een goed plan. Wie is daarop tegen, jongens? Niemand? Mooi, dan ga ik even met de pet rond.’
Jan-Willem heeft zich voorgenomen om niet meer over de narigheid met de club na te denken, maar dat wordt hem erg moeilijk gemaakt. Er staat namelijk dezelfde avond al een oproep op de site van de club om de speler van het eerste een kaartje te sturen.
Plus dat hij twee dagen later eindelijk wat van het bestuur hoort. Eerst wordt er namelijk een groot bierpakket bezorgd en ’s avonds staat de voorzitter met een cadeaukaart van maar liefst 50 euro op de stoep.
De man probeerrt de misser van de club te verbloemen en
Jan-Willem heeft geen zin om nog er nog iets over te zeggen. Daardoor wil het gesprek vlotten en staat de voorzitter binnen een uur weer buiten.
Als hij weg is, vraagt Jan-Willem zich af of hij niet wat vriendelijker tegen zijn bezoek had moeten zijn. Het bestuur kan hem namelijk ook vergeten zijn en iedereen heeft het recht om een foutje te maken. Zeker zij, want ze hebben immers meer aan hun hoofd. Als hij hoort dat een jongen van het zesde hetzelfde meegemaakt heeft als hij, is het echter snel gedaan met zijn twijfels.
Hij weet nu namelijk zeker dat dit bestuur de spelers van het eerste veel belangrijker vindt dan de rest. Zijn boosheid daarover duurt echter niet lang. Hij gaat namelijk naar de club voor de jongens van het achtste en de vereniging op zich interesseert hem niets.
Reacties
Let op: HTML wordt niet vertaald!