‘Is het gisteravond of eigenlijk vannacht weer laat geworden?’
‘Dat viel wel mee.’
‘Echt waar? Ik heb namelijk tot een uur of half een wakker gelegen en toen was je er nog niet. Als ik je zo bekijk, geloof ik trouwens ook niet dat je erg nuchter thuis bent gekomen.’
‘Dat viel heel erg mee en mag ik me trouwens ontspannen? Ik sta iedere ochtend om half zes op, ben tegen half vijf thuis en lig voor negen uur al doodmoe op bed. Dus mag ik, volgens mij, in het weekend de bloemetjes wel buiten zetten? Ik heb helemaal geen zin om nu al ruzie met je te maken, maar je zeurt hier elke keer over en daar moet je mee stoppen. Als je dat niet doet, pak ik namelijk mijn spullen en ben ik weg.’
Robs vader schrikt nogal van de uitval van zijn zoon en wil de jongen zeker niet thuis wegjagen. Toch kan hij zich ook nog niet stilhouden.
‘Je werkt inderdaad de hele week keihard en hebt natuurlijk recht op ontspanning. Is er echter geen tussenweg te vinden? Als je wat minder zou drinken, dan is dat namelijk én heel goed voor je gezondheid én heel goed voor je portemonnee. Zo’n avondje stappen zal namelijk wel het nodige kosten.’
Robs vader verwacht eigenlijk een felle reactie van zijn zoon, maar die staat op en loopt zonder een woord te zeggen naar buiten. Daar vraagt hij zich even af wat hij zal gaan doen. Normaal is hij ’s zaterdags de hele dag op het voetbalveld, maar het is hem nog te vroeg om daar al heen te gaan.
Daarom besluit hij even bij zijn opa en oma langs te fietsen. Die mensen zullen het namelijk wel leuk vinden om hem weer te zien, want het is al maanden geleden dat hij er voor het laatst is geweest.
Als hij een minuutje of tien later bij de mensjes naar binnen loopt, valt het hem meteen op dat ze nogal treurig kijken. Daar zoekt hij echter niets achter. Als je, volgens hem, zo oud als zijn grootouders bent, zal het namelijk niet allemaal vanzelf meer gaan en als je ergens last van krijgt, ga je immers vanzelf triest kijken.
Zorgeloos als hij altijd is, geeft hij daarom eerst zijn opa en oma een tikje op hun schouders en gaat hij vervolgens bij hen aan tafel zitten.
‘Hoe is het ermee?’
‘Ja, wat zal ik zeggen. We zijn gelukkig allebei nog goed gezond en dat is natuurlijk veruit het belangrijkste. Voor de rest krijgen we echter steeds minder te lachen. De kosten om een beetje normaal te leven en de energieprijzen rijzen namelijk de pan uit en zijn eigenlijk niet meer te betalen. Met behulp van ons spaargeld is dat tot op heden nog wel steeds gelukt, maar ik kijk met angst en beven naar de toekomst. We gaan het namelijk eerder slechter dan beter krijgen en er komt een moment dat we gewoon geen geld meer hebben.’
Rob schrikt gigantisch van wat zijn opa zegt en vindt het verschrikkelijk dat de oudjes nog veel triester zijn gaan kijken. Hij kan zich echter niet voorstellen dat er helemaal geen hulp voor de mensen is.
‘Zijn jullie al met je verhaal bij de gemeente geweest?’
‘Nee, want we hebben begrepen dat die pas iets doen als we echt in de problemen zijn en zover is het gelukkig nog niet.’
‘Oké, maar zover moet het ook niet komen. Wat zeggen mijn ooms en tantes en vader en moeder er trouwens van?’
‘Die vinden het vreselijk voor ons, maar hebben het blijkbaar zelf ook moeilijk.’
‘Dat kunnen ze wel zeggen, maar daar geloof ik niets van.’
‘Wij kunnen niet op hun bankrekening kijken.’
‘Dat is waar.’
Omdat er een buurman binnenkomt, staken Rob en zijn grootouders hun gesprek. De trieste gezichten van de oudjes blijven de jongen echter wel de hele dag in zijn hoofd zitten. Hij zou de mensjes heel graag helpen, maar zou niet weten hoe hij dat moet doen.
Als hij ’s avonds met zijn vrienden een biertje zit te drinken, wordt het hem echter duidelijk. Hij twijfelt ook geen moment over zijn voornemen en vraagt zich alleen af of zijn opa en oma wel door hem geholpen willen worden. Daarom schiet hem een mooi plan te binnen en dat besluit hij zo snel mogelijk ten uitvoer te brengen.
Als het ’s maandagsmorgens op zijn werk tijd is om koffie te drinken, loopt hij dan ook niet met zijn collega’s mee naar de keet, maar naar de supermarkt aan de andere kant van de straat Hij heeft geluk, want de eigenaar staat achter de kassa.
‘Ha, die Rob. Wat kan ik voor je doen?’
‘Mijn opa en oma gaan vertellen dat ze een jaar lang gratis boodschappen hebben gewonnen. Die mensen blijken het financieel gezien namelijk niet best of eigenlijk slecht te hebben en daarom wil ik ze helpen. Omdat ik niet verwacht dat ze mijn hulp aanvaarden, dacht ik het dus maar op deze manier te doen. Ik kom wekelijks bij je afrekenen en het zou geweldig zijn als jij voor de rest zorgt. Het is trouwens niet mijn bedoeling om het maar voor een jaar te doen, maar ze geloven het nooit als je ze vertelt dat ze voor de rest van hun leven gratis boodschappen krijgen.’
‘Geweldige actie van je, Rob en het komt goed.’
Rob maakt zich totaal geen zorgen of hij de hulp aan zijn grootouders wel kan betalen. Hij verdient immers vrij goed en anders gaat hij wel een avondje minder naar de kroeg. Voor zijn vader had hij dit nooit gelaten, maar voor zijn opa en oma heel graag.
Reacties
Let op: HTML wordt niet vertaald!