Dit vindt hij zo oneerlijk, dat hij het tijdens de pauze aan iedereen laat horen.
‘Dat is dan de waardering voor die zesentwintig jaar dat ik me voor deze zaak heb ingezet. Ik heb zo goed als geen dag verzuimd, ben nog nooit te laat geweest en heb ook nog nooit kritiek op mijn werk gehad en nu word ik aan de kant geschoven voor iemand die hier net werkt. Wat heeft die Tom dan meer dan ik? Is hij soms familie van de baas of kan hij soms mooier praten dan ik?’
Peter, een collega waar Evert al diverse jaren mee bevriend is, zegt hem heel goed te begrijpen. In zijn ogen is het echter overal hetzelfde
‘Ik snap dat je hier gigantisch van baalt en volgens mij zou iedereen dat in jouw plaats doen. Hebben ze je trouwens verteld waarom je die baan niet hebt gekregen? Volgens mij heb je namelijk het recht om dat te weten. Ik zou er trouwens wel rekening mee houden dat er sprake is van vriendjespolitiek. Als ik goed geïnformeerd ben, is Tom namelijk bevriend met de zoon van de baas en komt hij daar ook over de vloer. Je begrijpt het dus wel.’
Evert schudt demonstratief zijn hoofd.
‘Ik weet dat zoiets overal gebeurt. Moet je bijvoorbeeld hier in het dorp zien. De één mag een kasteel bouwen en de ander krijgt nog geen vergunning voor een hondenhok. En wat denk je van de volleybalclub van mijn vrouw. De dames die daar in het bestuur zitten, zijn namelijk allemaal dikke vriendinnen van elkaar. Het resultaat is dat die vereniging voor geen meter meer draait. Dat ze hier op het werk ook zo oneerlijk waren, had ik echter niet verwacht. De grote vraag is alleen wat ik nu het beste kan doen. Moet ik het accepteren of heeft het zin om een gesprek met de baas of met personeelszaken aan te vragen?’
Voor Peter is het niet moeilijk.
‘Ik zou gaan praten met de baas, want die lui van personeelszaken kletsen toch maar een eind weg.’
‘Zou de directeur dat dan niet doen? Ik zal trouwens goed mijn best moeten doen om hem te geloven, want ik voel me echt bedrogen en denkt er zelfs over om ander werk te gaan zoeken. Het lijkt me daarom handiger om niet nu, maar morgen of overmorgen even bij hem langs te lopen.’
‘Dat lijkt mij ook heel verstandig.’
Evert gaat zich gedurende de dag steeds meer ergeren aan alles wat er op zijn werk gebeurt en is daarom blij als het tijd is om naar huis te gaan. Zijn humeur klaart daar echter niet echt van op en hij komt dan ook met een enorm ontstemd gezicht thuis. Daar heeft zijn vrouw vrijwel meteen door dat er iets aan de hand is en als ze ernaar vraagt, krijgt ze het hele verhaal te horen.
Als Evert uitgepraat is, rekent hij erop dat ze het in alles met hem eens is. Ze heeft echter wel begrip voor zijn stemming, maar is verder toch veel minder stellig dan hij.
‘Ik begrijp dat je je gepasseerd voelt en enorm van de situatie baalt. Zeker omdat je er vast op had gerekend dat jij een stapje omhoog zou maken. Verder zou ik als werkgever iemand met een staat van dienst als jij niet via een berichtje af hebben gewezen, maar je in een gesprek mijn beslissing hebben uitgelegd. Je moet echter wel reëel zijn.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dat je er eens eerlijk over na moet denken of je wel de geschikte persoon bent om leiding aan je collega’s te geven. Ik twijfel er niet aan of je wel genoeg verstand van het hele gebeuren hebt, maar je bent iemand die moeilijk iemand teleur kan stellen en als leidinggevende krijg je daar regelmatig mee te maken. Ik ken die Tom niet, maar hij kan daar natuurlijk best veel beter in zijn.’
Evert lijkt eerst kwaad te worden. Als hij even heen en weer naar de badkamer is gelopen, blijkt dat echter heel erg mee te vallen.
‘Ik denk dat ik door mijn teleurstelling inderdaad wat te heftig heb gereageerd. Nu ik over je woorden nadenk, geloof ik namelijk dat je gelijk hebt. Ik ben immers iemand die met iedereen wil lachen en liever geen vervelende beslissingen wil nemen.’
‘Je hebt gelijk en goed van je dat je zo eerlijk over jezelf durft te zijn. Ik vind echter wel dat je baas dit meteen na je sollicitatie al eerlijk met je had moeten bespreken en misschien had ik je erover aan moeten spreken, maar ik vrees dat je dan anders met mijn woorden was omgegaan als nu.’
‘Ik denk het ook.’
‘Over mijn volleybalclub en de gemeente heb ik trouwens geen mening. Het is alleen wel zo dat ieder verhaal twee kanten heeft. Bij het volleyballen zijn ze bijvoorbeeld ruim een jaar bezig geweest om mensen voor het bestuur te krijgen en nu ze daar eindelijk wat dames voor hebben gevonden, loopt iedereen over vriendjespolitiek te zeuren. Natuurlijk zijn de bestuursleden bekenden van elkaar, maar dat is iedereen in dit dorp en ze doen het volgens mij best goed. De gemeente doet het trouwens ook niet snel goed. De één kan misschien best iets meer voor elkaar krijgen dan de ander en het zal best eens niet eerlijk gaan, maar bewijzen heb ik niet. Het zal trouwens ook per geval wel verschillen. Plus dat de een veel beter weet hoe en waar hij zijn zaakjes moet regelen dan de ander. Het is echter zo dat je met bewijzen moet komen om mensen en instellingen te beschuldigen van vriendjespolitiek en in de andere gevallen beter kunt zwijgen.’
Reacties
Let op: HTML wordt niet vertaald!