Hij denkt even snel na over hoe hij dit aan moet pakken. Dat zijn buurman een bon krijgt, staat voor hem vast. Als hij dat niet doet, doet hij namelijk aan vriendjespolitiek en dat wil hij niet. Plus dat ze de opdracht hebben gekregen om iedereen die in deze donkere maanden zonder licht fietst een verbaal te geven.
Hij besluit het gesprek echter wel wat anders te voeren dan normaal, want om tegen zijn buurman formeel te doen, lijkt hem niet nodig.
Daarom vertelt hij eerst tegen zijn collega wie ze staande hebben gehouden en begint hij vervolgens op een joviale toon te praten.
‘Hé buur. Je weet het zeker wel of niet?’
‘Natuurlijk, maar ik ben blij dat jij me laat stoppen en niet een ander. Nu kom ik er immers met een waarschuwing vanaf en anders had het me zestig euro gekost.’
‘Ik moet je teleurstellen, man. Als we elkaar nu bij ons in de straat hadden getroffen had ik het wel met een waarschuwing af kunnen doen of de andere kant op kunnen kijken, maar nu niet. We hebben trouwens de opdracht om iedereen die in deze donkere tijd geen licht op heeft meteen te bekeuren. Dus krijg jij ook een bon.’
Nu Hermans buurman heeft gehoord dat het hem geld gaat kosten, slaat zijn stemming als een blad aan de boom om. Zijn vriendelijke gezicht krijgt een harde trek en van rustig praten is geen sprake meer.
‘Ik heb altijd gemeend dat ik naast de enige redelijke agent van het land woonde, maar blijkbaar heb ik me vergist. Man, wat val jij me tegen. Krijgen jullie soms een premie voor iedere bekeuring die je uitschrijft en heb je niets beters te doen? Bijvoorbeeld wat meer inbraken oplossen en wat aan het probleem van die hangjongeren in het park doen.’
‘Buurman, maak nu geen problemen. Je weet dat ik geen dienstklopper ben en ook dat je in overtreding bent. Het is erg vervelend dat ik jou nu net tref, maar ik doe mijn werk. Ik begrijp best dat je het niet fijn vindt om een bon te krijgen, maar laten we dit als volwassen mensen oplossen.’
‘Had je me ook bekeurd als je alleen was geweest?’
‘Die vraag is niet relevant, want wij zijn altijd met z’n tweeën. Plus dat ik geen onderscheid kan maken tussen wie dan ook en de opdracht van mijn baas niet kan negeren.’
‘Volgens mij doet iedereen dat weleens.’
‘Wat zou je er dan van vinden als een collega van me zijn buurman door rood licht laat rijden en jou voor hetzelfde bekeurt?’
‘Je bent een echte ambtenaar. Die weten zich namelijk overal uit te praten. Geef me trouwens die bon maar, want dan kan ik verder.’
‘Je licht is kapot, dus je zult het laatste eind wel moeten lopen.’
‘Natuurlijk, gebruik je macht maar. Wie denk je dat je voor je hebt? Een jochie van tien? Een fijne vent ben je trouwens. Vorige week heb ik je nog een paar uur met die tuin geholpen en nu flik je me dit. Had ik maar geld voor die klus gevraagd dan had ik daar nu die boete van kunnen betalen. Ik dacht echter dat ik je mijn vriend was, maar dat had ik dus fout.’
Herman beseft dat hij de situatie met praten alleen maar vervelender maakt en daarom vraagt hij zijn collega om de bon uit te schrijven zodat ze verder kunnen.
Hoewel hij de hele dag vrij druk is en zeker denkt te weten dat hij goed gehandeld heeft, blijft de confrontatie met zijn buurman hem wel in zijn hoofd zitten.
Hij hoopt dat het gebeuren geen invloed gaat hebben op de band die zijn gezin en hij met de buren hebben. Ze wonen namelijk al jaren met veel plezier naast elkaar en het zou zonde zijn als daar een eind aan kwam.
Aan hem zal het niet liggen. Als de buurman gewoon blijft doen en bereid is om de zaak uit te praten, zet hij namelijk ook heel graag een dikke streep onder de zaak.
Als hij uit zijn werk komt, ziet zijn vrouw gelijk aan hem dat er iets is.
‘Volgens mij heb je geen plezierige dag gehad. Is er iets ergs gebeurd of was het alleen vervelend en wil je erover praten?’
Als Herman alles heeft verteld, legt zijn vrouw haar hand op zijn arm.
‘Volgens mij heb jij niets verkeerds gedaan. Al ben ik bang dat de buurman daar anders over denkt.’
‘Hoezo?’
‘Omdat hij normaal altijd zwaait als hij gaat werken en thuiskomt, maar tussen de middag twee keer stijf voor zich uit keek. Plus dat Luuk en Lara vanmiddag ook niet hier zijn geweest om de kinderen op te halen, maar gelijk door naar school zijn gegaan.’
‘Tjonge, wat naar. Wat is nu echter wijsheid? Ik wil het graag goed houden met hen, maar kan slecht mijn excuses aan gaan bieden. Dat zou immers betekenen dat ik spijt heb en dat heb ik niet. Hij moet als volwassen man trouwens beseffen dat het gevaarlijk is om zonder licht te fietsen. Plus dat het in de krant heeft gestaan dat we in deze donkere tijd niet waarschuwen, maar meteen bekeuren. Als hij bijna thuis was geweest hadden we hem wel kunnen matsen. Officieel was ik dan fout geweest, maar ik denk dat mijn collega’s dat allemaal weleens zijn.’
Als ze de buurvrouw even later uitbundig zwaaiend langs zien fietsen, krijgt Hermans vrouw toch weer wat hoop dat het meevalt.
‘Zij doet gelukkig nog wel normaal.’
‘Klopt, maar ze is de hele dag wezen werken en weet waarschijnlijk nog niet wat er is gebeurd.’
‘Dat was ik even vergeten, maar die kans zit erin.’
Het wordt een sombere avond voor Herman en zijn vrouw. Vooral omdat eerst hun zoon en dochter met een triest gezicht komen vertellen dat de buurkinderen niet meer met hen willen spelen en de buurman even later weer met een kwaad gezicht en zonder te zwaaien langskomt.
Als hij dat de volgende dag weer doet, hebben Herman en zijn vrouw het trieste gevoel dat er een eind is gekomen aan heel veel gezelligheid. Dat valt echter mee. Als 's avonds de bel gaat, staat de buurman namelijk met een drankenpakket op de stoep.
‘Mag ik binnenkomen om mijn verontschuldigingen aan te bieden? Er was gisterochtend namelijk maar één iemand fout en dat was ik. Jij deed namelijk je werk en ik moet, zeker als vader, beseffen dat fietsen zonder licht heel veel ellende op kan leveren. Sorry en je bent een topper dat je iedereen over één kam scheert.’
‘Zand erover, buurman. Kom binnen.’
Reacties
Let op: HTML wordt niet vertaald!