Omschrijving
Als Ruud uit zijn werk komt, staat zijn vrouw Karin hem al bij de deur op te wachten.
'Heb je gezien dat we nieuwe buren krijgen?'
'Nee.'
'Loop maar eens naar de schuur, dan kun je zien wat voor volk het is.'
'Waarom?'
'Nou, doe het maar eens.'
Ruud doet wat zijn vrouw zegt en als hij buiten komt, ziet hij wat ze bedoelt. De buurman is namelijk bezig om zijn tuin vol te zetten met oud blik en ijzer en ziet eruit alsof hij zich in jaren niet gewassen heeft. Uit angst dat de man hem ziet en begint te praten, loopt hij naar de schuur. Daar ziet hij door een raampje dat de buurvrouw en hun twee kinderen er ook niet fris uitzien.
Vooral over de jongen maakt hij zich zorgen. Die lijkt hem namelijk van dezelfde leeftijd als zijn zoon en hij moet er niet aan denken dat zij vrienden worden. Daarom gaat hij naar binnen om er met zijn vrouw over te praten.
'Nou, heb je het gezien?'
'Wat een rommel en wat een smerige mensen. Hoe kan de gemeente ze nu hier een huis geven? Die lui horen op de vuilnisbelt thuis.'
'Zouden we ze weg kunnen krijgen?'
'Misschien via de woningstichting? Al zullen we dan wel met de hele buurt moeten gaan.'
'Dat kan toch. Ik loop wel bij iedereen langs.'
'Best. Heb je die kinderen trouwens gezien?’
‘Ja, die zijn ook hartstikke vies.'
'Dat is het ergste nog niet.'
'Wat dan wel?'
'Die jongen lijkt me ongeveer net zo oud als Daan en zal dus wel met hem willen spelen. Met een beetje pech gaat hij zelfs bij CCC voetballen en komen ze in hetzelfde team.'
'Het is niet te hopen. Laten we ons echter niet te snel zorgen maken. Ik loop zo eerst even de straat door en met een beetje geluk krijgen we die viespeuken weer weg.'
'Dat zou mooi zijn.'
Na het eten ruimt Ruud alles op en loopt Karin de deur uit, om te horen wat de buren van de zaak vinden. Ze blijft een hele tijd weg, maar voor haar gevoel is het niet voor niets geweest. Daarom komt ze met een tevreden gevoel thuis.
‘Heb je iedereen gesproken?’
‘Ja, en ze waren hartstikke blij dat ik kwam.’
‘Dat is mooi, maar wat vinden ze ervan?’
‘Dat ze zo snel mogelijk moeten vertrekken.’
‘Mooi en wat is er besloten?’
‘Je schijnt iedere dag tussen elf en twaalf bij de woningstichting terecht te kunnen met klachten. Dus gaan Joop, Linda en ik daar morgen heen.'
'Ik ben blij dat we het met elkaar eens zijn.'
'Nou, ik ook.'
Het tweetal is er zo van overtuigd dat hun nieuwe buren snel weg zijn, dat ze niet meer over hen praten. Ruud gaat de volgende ochtend ook met een opgeruimd gevoel naar zijn werk, want vanavond zijn de problemen immers voorbij.
Als hij even over vijf thuiskomt, schrikt hij echter. Zijn vrouw staat hem namelijk met een kwaad gezicht op te wachten en barst meteen los.
'Stond je telefoon niet aan, vandaag?'
'Jawel.'
'Waarom neem je dan niet op?'
'Ik heb niets gehoord.'
Als Ruud zijn telefoon pakt, ziet hij het probleem.
'Verdorie. Hij staat toch uit. Wat gruwelijk stom. Heb je me vaak gebeld?'
'Ja, kijk maar bij je gemiste oproepen. Het kunnen er wel een stuk of tien zijn.’
'Ik geloof je. Waarom heb je gebeld? Als ik je gezicht zo zie, had en heb je geen goed nieuws?'
'Die mensen mogen blijkbaar zelf weten wat ze in hun tuin doen. Als ze geen overlast veroorzaken, doet de woningstichting er dus niets aan. Als ze eten achter hun huis gooien, mogen we, vanwege de kans op ongedierte, terugkomen. De rest kon volgens die kerel geen kwaad. '
'Ze blijven hier dus wonen.'
'Daar reken ik wel op.'
'Laten we trouwens maar gaan eten. Daan moet immers over drie kwartier trainen.'
'Prima.'
Wanneer Ruud een half uurtje later met Daan op het voetbalveld komt, schrikt hij. Als hij naar de hoek loopt waar ze altijd trainen, ziet hij namelijk de nieuwe buurman en zijn zoontje staan. Hij beseft meteen dat zijn vermoeden juist is geweest en het ventje dus gaat voetballen. Omdat dit het laatste is wat hij wil, gaat hij direct op zoek naar iemand van het jeugdbestuur.
‘Ga jij maar trainen. Papa moet even iemand spreken. Als ik erna afloop nog niet ben, kom je maar naar de kantine. Daar zie je me dan wel.’
'Wat is er dan, pap?'
'Dat vertel ik je nog wel een keer.'
Terwijl Daan naar zijn trainer gaat, loopt Ruud met grote passen naar de kantine. Daar blijkt dat hij niet de enige is die komt klagen, want er staan al twee buurmannen. Als de voorzitter vraagt wat er is, hoeft hij daarom niets meer te zeggen.
'Ik heb hetzelfde verhaal als zij. Het is al erg genoeg dat die familie onze straat komt vervuilen en daarom wil ik dat jochie niet in Daans team hebben. Als het wel gebeurt, haal ik mijn zoon van de club af. Of ben ik soms voorbarig en staan vader en zoon zomaar bij het trainen te kijken?’
'Nee. Die man heeft zijn zoontje aangemeld als lid en het ventje komt in het team van jullie zonen.'
'Had je dat niet met ons moeten overleggen?’
'Nee, want ik kan dat jochie niet weigeren omdat hij en zijn vader er niet echt netjes uitzien.'
'Dan voetbalt Daan hier komende zaterdag voor het laatst. Ik neem trouwens aan, dat de andere vaders mijn voorbeeld zullen volgen.'
De buurmannen knikken Ruud instemmend toe en daarna lopen ze verontwaardigd naar buiten. Daar spreken ze af om te wachten tot zaterdag voor ze iets doen, want het ventje kan zich nog bedenken. Als hij dat niet doet, zeggen ze na de wedstrijd het lidmaatschap van hun kinderen op. Ze willen nog meer met elkaar bespreken, maar het trainen is afgelopen en daarom gaan ze naar huis. Daar vertelt Ruud aan Karin wat er is gebeurd en zij is het met hem eens.
'Wanneer praten we met Daan?'
'Waarover?'
Karin schudt haar hoofd.
'Dat begrijp je toch wel? Ik wil niet dat hij met dat jochie speelt of daar in huis komt en ik wil die knaap hier ook niet hebben.’
'Zullen we dat morgen met hem bespreken?'
'Best.'
Van dat gesprek komt de volgende dag niets. Als Ruud even thuis is, gaat namelijk de bel en loopt Karin naar de deur. Ze is al snel terug en aan haar gezicht te zien, is ze vreselijk geschrokken.
'Kom, we gaan direct weg.'
'Waarheen?'
'Geen idee.'
'Karin, doe niet zo raar.'
'Vertrouw me en ga mee. In de auto vertel ik je alles. Daan kan wel naar mijn ouders.'
Ruud haalt zijn schouders op, want hij heeft geen flauw idee wat er kan zijn. Daarom loopt hij zwijgend mee naar buiten en rijdt hij met een flinke vaart naar zijn schoonouders. Als ze Daan daar achter hebben gelaten en naar de auto lopen, kijkt hij Karin echter vragend aan.
‘Vertel. Wat is er aan de hand?’
'Die nieuwe buurman stond aan de deur en vroeg of we vanavond iets kwamen drinken. Ik heb gezegd dat we weg moesten, want dat doen we natuurlijk niet.'
'Nee, maar waar moeten we heen? Plus dat hij eerdaags natuurlijk weer aan de deur staat en we niet elke keer op de vlucht kunnen slaan.'
'Voor de volgende keer verzin ik nog wel iets en laten we maar naar dat nieuwe restaurant net buiten het dorp gaan. Met een beetje geluk hebben ze daar nog een tafeltje voor ons.'
'Best.'
Als ze het restaurant binnenlopen, schieten ze in de lach. De overburen zijn er namelijk ook en ze vermoeden dat die eveneens hierheen zijn gevlucht. Ze blijken gelijk te hebben en nadat ze nog even over de nieuwe buren hebben gepraat, besluiten ze samen te gaan eten. Hierdoor wordt de avond die chaotisch begon, toch nog gezellig.
Ondanks alle afspraken en stoere taal, loopt het de volgende ochtend totaal anders dan ze hadden gepland. Als Ruud en Karin even in de kantine hebben staan roddelen en naar het veld lopen, schrikken ze namelijk flink. Daan komt namelijk enthousiast naar hen toe.
‘We hebben een nieuwe speler in ons team en hij woont naast ons. Hij is heel aardig en zijn ouders ook. We gaan vanmiddag eerst met ons team bij hen patat eten en daarna brengen ze ons met ar grote auto’s naar het bos om te spelen. Leuk toch? We gaan trouwens ook nog ijs eten. Mag Ronald morgen bij ons komen spelen, mam?'
Ruud en Karin zijn stombeduusd en hebben geen idee wat ze moeten zeggen, maar dat hoeft ook niet. Daan rent namelijk alweer juichend het veld in. Als zijn ouders de blijdschap van de kinderen zien, beseffen ze niet achter te kunnen blijven. Daarom lopen ze naar de nieuwe buren toe om zich voor te stellen en een praatje te maken.
De rest lijkt eerst niet goed te weten wat ze moeten, maar volgen dan toch. Het gevolg is dat de roddels al snel vergeten zijn en er niemand meer is die negatief over de nieuwe buren denkt.
Daan heeft geen idee welke wijze les hij zijn ouders heeft geleerd. Hij is alleen blij, want er staat hem een geweldig leuke dag te wachten.
'Heb je gezien dat we nieuwe buren krijgen?'
'Nee.'
'Loop maar eens naar de schuur, dan kun je zien wat voor volk het is.'
'Waarom?'
'Nou, doe het maar eens.'
Ruud doet wat zijn vrouw zegt en als hij buiten komt, ziet hij wat ze bedoelt. De buurman is namelijk bezig om zijn tuin vol te zetten met oud blik en ijzer en ziet eruit alsof hij zich in jaren niet gewassen heeft. Uit angst dat de man hem ziet en begint te praten, loopt hij naar de schuur. Daar ziet hij door een raampje dat de buurvrouw en hun twee kinderen er ook niet fris uitzien.
Vooral over de jongen maakt hij zich zorgen. Die lijkt hem namelijk van dezelfde leeftijd als zijn zoon en hij moet er niet aan denken dat zij vrienden worden. Daarom gaat hij naar binnen om er met zijn vrouw over te praten.
'Nou, heb je het gezien?'
'Wat een rommel en wat een smerige mensen. Hoe kan de gemeente ze nu hier een huis geven? Die lui horen op de vuilnisbelt thuis.'
'Zouden we ze weg kunnen krijgen?'
'Misschien via de woningstichting? Al zullen we dan wel met de hele buurt moeten gaan.'
'Dat kan toch. Ik loop wel bij iedereen langs.'
'Best. Heb je die kinderen trouwens gezien?’
‘Ja, die zijn ook hartstikke vies.'
'Dat is het ergste nog niet.'
'Wat dan wel?'
'Die jongen lijkt me ongeveer net zo oud als Daan en zal dus wel met hem willen spelen. Met een beetje pech gaat hij zelfs bij CCC voetballen en komen ze in hetzelfde team.'
'Het is niet te hopen. Laten we ons echter niet te snel zorgen maken. Ik loop zo eerst even de straat door en met een beetje geluk krijgen we die viespeuken weer weg.'
'Dat zou mooi zijn.'
Na het eten ruimt Ruud alles op en loopt Karin de deur uit, om te horen wat de buren van de zaak vinden. Ze blijft een hele tijd weg, maar voor haar gevoel is het niet voor niets geweest. Daarom komt ze met een tevreden gevoel thuis.
‘Heb je iedereen gesproken?’
‘Ja, en ze waren hartstikke blij dat ik kwam.’
‘Dat is mooi, maar wat vinden ze ervan?’
‘Dat ze zo snel mogelijk moeten vertrekken.’
‘Mooi en wat is er besloten?’
‘Je schijnt iedere dag tussen elf en twaalf bij de woningstichting terecht te kunnen met klachten. Dus gaan Joop, Linda en ik daar morgen heen.'
'Ik ben blij dat we het met elkaar eens zijn.'
'Nou, ik ook.'
Het tweetal is er zo van overtuigd dat hun nieuwe buren snel weg zijn, dat ze niet meer over hen praten. Ruud gaat de volgende ochtend ook met een opgeruimd gevoel naar zijn werk, want vanavond zijn de problemen immers voorbij.
Als hij even over vijf thuiskomt, schrikt hij echter. Zijn vrouw staat hem namelijk met een kwaad gezicht op te wachten en barst meteen los.
'Stond je telefoon niet aan, vandaag?'
'Jawel.'
'Waarom neem je dan niet op?'
'Ik heb niets gehoord.'
Als Ruud zijn telefoon pakt, ziet hij het probleem.
'Verdorie. Hij staat toch uit. Wat gruwelijk stom. Heb je me vaak gebeld?'
'Ja, kijk maar bij je gemiste oproepen. Het kunnen er wel een stuk of tien zijn.’
'Ik geloof je. Waarom heb je gebeld? Als ik je gezicht zo zie, had en heb je geen goed nieuws?'
'Die mensen mogen blijkbaar zelf weten wat ze in hun tuin doen. Als ze geen overlast veroorzaken, doet de woningstichting er dus niets aan. Als ze eten achter hun huis gooien, mogen we, vanwege de kans op ongedierte, terugkomen. De rest kon volgens die kerel geen kwaad. '
'Ze blijven hier dus wonen.'
'Daar reken ik wel op.'
'Laten we trouwens maar gaan eten. Daan moet immers over drie kwartier trainen.'
'Prima.'
Wanneer Ruud een half uurtje later met Daan op het voetbalveld komt, schrikt hij. Als hij naar de hoek loopt waar ze altijd trainen, ziet hij namelijk de nieuwe buurman en zijn zoontje staan. Hij beseft meteen dat zijn vermoeden juist is geweest en het ventje dus gaat voetballen. Omdat dit het laatste is wat hij wil, gaat hij direct op zoek naar iemand van het jeugdbestuur.
‘Ga jij maar trainen. Papa moet even iemand spreken. Als ik erna afloop nog niet ben, kom je maar naar de kantine. Daar zie je me dan wel.’
'Wat is er dan, pap?'
'Dat vertel ik je nog wel een keer.'
Terwijl Daan naar zijn trainer gaat, loopt Ruud met grote passen naar de kantine. Daar blijkt dat hij niet de enige is die komt klagen, want er staan al twee buurmannen. Als de voorzitter vraagt wat er is, hoeft hij daarom niets meer te zeggen.
'Ik heb hetzelfde verhaal als zij. Het is al erg genoeg dat die familie onze straat komt vervuilen en daarom wil ik dat jochie niet in Daans team hebben. Als het wel gebeurt, haal ik mijn zoon van de club af. Of ben ik soms voorbarig en staan vader en zoon zomaar bij het trainen te kijken?’
'Nee. Die man heeft zijn zoontje aangemeld als lid en het ventje komt in het team van jullie zonen.'
'Had je dat niet met ons moeten overleggen?’
'Nee, want ik kan dat jochie niet weigeren omdat hij en zijn vader er niet echt netjes uitzien.'
'Dan voetbalt Daan hier komende zaterdag voor het laatst. Ik neem trouwens aan, dat de andere vaders mijn voorbeeld zullen volgen.'
De buurmannen knikken Ruud instemmend toe en daarna lopen ze verontwaardigd naar buiten. Daar spreken ze af om te wachten tot zaterdag voor ze iets doen, want het ventje kan zich nog bedenken. Als hij dat niet doet, zeggen ze na de wedstrijd het lidmaatschap van hun kinderen op. Ze willen nog meer met elkaar bespreken, maar het trainen is afgelopen en daarom gaan ze naar huis. Daar vertelt Ruud aan Karin wat er is gebeurd en zij is het met hem eens.
'Wanneer praten we met Daan?'
'Waarover?'
Karin schudt haar hoofd.
'Dat begrijp je toch wel? Ik wil niet dat hij met dat jochie speelt of daar in huis komt en ik wil die knaap hier ook niet hebben.’
'Zullen we dat morgen met hem bespreken?'
'Best.'
Van dat gesprek komt de volgende dag niets. Als Ruud even thuis is, gaat namelijk de bel en loopt Karin naar de deur. Ze is al snel terug en aan haar gezicht te zien, is ze vreselijk geschrokken.
'Kom, we gaan direct weg.'
'Waarheen?'
'Geen idee.'
'Karin, doe niet zo raar.'
'Vertrouw me en ga mee. In de auto vertel ik je alles. Daan kan wel naar mijn ouders.'
Ruud haalt zijn schouders op, want hij heeft geen flauw idee wat er kan zijn. Daarom loopt hij zwijgend mee naar buiten en rijdt hij met een flinke vaart naar zijn schoonouders. Als ze Daan daar achter hebben gelaten en naar de auto lopen, kijkt hij Karin echter vragend aan.
‘Vertel. Wat is er aan de hand?’
'Die nieuwe buurman stond aan de deur en vroeg of we vanavond iets kwamen drinken. Ik heb gezegd dat we weg moesten, want dat doen we natuurlijk niet.'
'Nee, maar waar moeten we heen? Plus dat hij eerdaags natuurlijk weer aan de deur staat en we niet elke keer op de vlucht kunnen slaan.'
'Voor de volgende keer verzin ik nog wel iets en laten we maar naar dat nieuwe restaurant net buiten het dorp gaan. Met een beetje geluk hebben ze daar nog een tafeltje voor ons.'
'Best.'
Als ze het restaurant binnenlopen, schieten ze in de lach. De overburen zijn er namelijk ook en ze vermoeden dat die eveneens hierheen zijn gevlucht. Ze blijken gelijk te hebben en nadat ze nog even over de nieuwe buren hebben gepraat, besluiten ze samen te gaan eten. Hierdoor wordt de avond die chaotisch begon, toch nog gezellig.
Ondanks alle afspraken en stoere taal, loopt het de volgende ochtend totaal anders dan ze hadden gepland. Als Ruud en Karin even in de kantine hebben staan roddelen en naar het veld lopen, schrikken ze namelijk flink. Daan komt namelijk enthousiast naar hen toe.
‘We hebben een nieuwe speler in ons team en hij woont naast ons. Hij is heel aardig en zijn ouders ook. We gaan vanmiddag eerst met ons team bij hen patat eten en daarna brengen ze ons met ar grote auto’s naar het bos om te spelen. Leuk toch? We gaan trouwens ook nog ijs eten. Mag Ronald morgen bij ons komen spelen, mam?'
Ruud en Karin zijn stombeduusd en hebben geen idee wat ze moeten zeggen, maar dat hoeft ook niet. Daan rent namelijk alweer juichend het veld in. Als zijn ouders de blijdschap van de kinderen zien, beseffen ze niet achter te kunnen blijven. Daarom lopen ze naar de nieuwe buren toe om zich voor te stellen en een praatje te maken.
De rest lijkt eerst niet goed te weten wat ze moeten, maar volgen dan toch. Het gevolg is dat de roddels al snel vergeten zijn en er niemand meer is die negatief over de nieuwe buren denkt.
Daan heeft geen idee welke wijze les hij zijn ouders heeft geleerd. Hij is alleen blij, want er staat hem een geweldig leuke dag te wachten.

Geniet zowel binnen als buiten van deze prachtige poster met afgedrukte pampus.
KLIK HIER VOOR MEER POSTERS