Omschrijving
Als Wim, die leider en trainer van de JO11-2 is, van het trainingsveld af loopt, roept de jeugdvoorzitter hem.
‘Ha man. Hoe is het?’
‘Prima. Volgens mij hebben ze plezierig getraind en daar doe ik het voor?’
‘Klopt. Heb je trouwens even?’
‘Jawel. Zeg het maar.’
‘Ik ben vanavond gebeld door een vader die zijn zoontje op voetbal wil doen, maar weet niet wat ik daarmee moet.’
‘Hoezo? De club is toch blij met nieuwe leden?’
‘Normaal wel, maar deze man is bij twee clubs uit de buurt geweigerd en daarom ben ik bang dat het ventje hier ook niet geaccepteerd wordt.’
‘Nu heb je lang genoeg in raadselen gesproken. Voor de dag er dus mee. Wat is er aan de hand?’
‘Het gaat om een jochie met zowel een lichamelijke als een licht verstandelijke beperking. Hij schijnt stapel op voetbal te zijn, maar er is nergens G-voetbal in de buurt. Dus zijn ze op zoek naar een club waar hij terecht kan. Die ouders vinden het vreselijk dat hun zoon twee keer geweigerd is en zouden het geweldig vinden als hij hier wel lid kan worden, maar hebben er begrip voor als we dat niet zien zitten.’
‘Wat heb je gezegd?’
‘Dat ik het ging overleggen en ze terug zou bellen.’
‘Wat vind je er zelf van?’
‘Dat we het ventje niet bij voorbaat moeten weigeren. Het zal best wat problemen opleveren en het is natuurlijk de vraag hoe de rest van het team erop reageert, maar ik zou het super vinden als we wat voor hen konden betekenen.’
‘Mooi dat je er zo over denkt en ik ben het met je eens. Ik stel daarom voor om de knaap eerst een paar keer mee te laten trainen. Dan kunnen we zien hoe het gaat en als dat niet tegenvalt, is hij wat mij betreft welkom en mag hij ook wedstrijden spelen.’
De voorzitter kijkt opgelucht, maar ziet nog wel problemen.
‘Ik vind het geweldig dat je zo positief bent, maar hoe denk je dat de andere kinderen en hun ouders op het jongetje reageren? Kinderen, maar ook volwassenen kunnen namelijk keihard zijn.’
‘Als iedereen fel tegen is, hebben we een uitdaging, maar dat merken we vanzelf. Ik ga zaterdag zowel met de kinderen als de ouders praten en laat je weten wat zij ervan vinden.’
‘Top. Ik hoop dat iedereen het met ons eens is.’
‘Ik denk niet dat iedereen positief reageert, maar dat hoor ik vanzelf.’
Als Wim ’s zaterdags met zijn team om tafel zit, probeert hij hen zo simpel mogelijk te vertellen wat er met de jongen is. Blijkbaar doet hij dat goed, want ze kijken hem begrijpend aan en maken er geen probleem van. Jos, de mondigste van het stel doet er zelfs laconiek over.
‘Geeft niets dat hij niet zo goed leren kan en problemen met zijn benen heeft. Ik ga namelijk ook naar een aparte school en wij kunnen geen van allen echt goed lopen. Laat hem daarom maar gerust meedoen.’
‘Mee eens.’
‘Dat vind ik ook.’
‘En ik ook.’
‘Mooi jongens. Is er iemand die liever niet wil dat Fred in ons team komt? Niemand? Prachtig. Jullie zien hem volgende week wel op de training.’
Het gesprek dat Wim met de ouders heeft, verloopt minder plezierig. Als hij vertelt wat er te gebeuren staat, ziet hij hun gezichten namelijk en veel reacties zijn verre van positief.
‘Je begrijpt toch zelf ook wel dat het niets wordt met die jongen. Die andere clubs hebben hem niet voor niets geweigerd. We winnen nu al bijna nooit, maar met hem erbij verliezen we alles. Waarom gaat dat joch trouwens niet bij een vereniging met G-voetbal spelen?’
‘Hij is tien en wil graag met kinderen van zijn leeftijd sporten en de dichtstbijzijnde club waar dat kan, zit in Zwolle.’
‘Dat heen en weer rijden moeten die mensen dan maar voor hun kind over hebben.’
‘Gelukkig hebben ze dat ook wel, maar ik begrijp best dat ze hem, als hij niet heel erg uit de toon valt, liever op onze club doen. Dat scheelt ze immers uren reistijd en de kans dat hij bij ons vriendjes maakt, is veel groter dan in Zwolle. Vooral omdat hij hier in het dorp woont.’
‘Ik vind het nogal asociaal van ze, want ze zadelen ons met hun probleem op.’
‘Je doet nu wel heel cru. Ten eerste krijgen jullie geen last van die jongen en ten tweede maken jullie kinderen er geen probleem van dat hij erbij komt. Plus dat hij eerst komt trainen en als dat niet heel erg tegenvalt pas mag voetballen.’
‘Je kunt beter eerlijk zijn.’
‘Dat ben ik ook.’
‘Volgens mij niet. Jij wil namelijk dat die jongen hier ten koste van alles lid wordt, dus geef je je ongelijk nooit toe.’
Als Wim de ouders aankijkt, ziet hij er een paar knikken, maar anderen driftig met hun hoofd schudden. Wanneer hij eraan denkt dat er dus volwassen mensen zijn die het plezier van zo’n jochie willen vergallen, wordt hij emotioneel.
‘Mensen, ik heb mijn verhaal gedaan en besef dat niet iedereen het met me eens is. Dat vind ik erg jammer. Niet omdat ik gelijk moet hebben, maar wel omdat ik menselijk wil zijn en dat is voor sommigen dus minder belangrijk. Er zal echter wel een beslissing moeten worden genomen.’
Wim zwijgt even, maar gaat dan verder.
‘Ik stel daarom voor dat jullie er nog eens over nadenken en vraag de mensen die tegen de komst van dat ventje zijn me dit voor maandag te laten weten. De tegenstanders wil ik trouwens vragen om zich in te denken hoe zij het zouden vinden als hun kind ergens geweerd werd vanwege zijn of haar beperking.’
Als hij de ouders elkaar aan ziet kijken, wacht hij even zodat ze zijn woorden goed op zich in kunnen laten werken.
‘U denkt daar nu misschien gemakkelijk over, omdat uw kind geen beperking heeft. Besef echter dat dit snel kan veranderen. Een ongeluk of een ziekte zitten immers in een klein hoekje en kunnen iemands leven in tijd van even op zijn kop zetten. Ik heb echter genoeg gepraat en hoor wel of er tegenstanders blijven.’
Omdat Wims telefoon het hele weekend ‘stil’ blijft, belt hij ’s maandagsavonds met een opgeruimd gevoel de voorzitter.
‘Ha man. Hoe is het?’
‘Prima. Volgens mij hebben ze plezierig getraind en daar doe ik het voor?’
‘Klopt. Heb je trouwens even?’
‘Jawel. Zeg het maar.’
‘Ik ben vanavond gebeld door een vader die zijn zoontje op voetbal wil doen, maar weet niet wat ik daarmee moet.’
‘Hoezo? De club is toch blij met nieuwe leden?’
‘Normaal wel, maar deze man is bij twee clubs uit de buurt geweigerd en daarom ben ik bang dat het ventje hier ook niet geaccepteerd wordt.’
‘Nu heb je lang genoeg in raadselen gesproken. Voor de dag er dus mee. Wat is er aan de hand?’
‘Het gaat om een jochie met zowel een lichamelijke als een licht verstandelijke beperking. Hij schijnt stapel op voetbal te zijn, maar er is nergens G-voetbal in de buurt. Dus zijn ze op zoek naar een club waar hij terecht kan. Die ouders vinden het vreselijk dat hun zoon twee keer geweigerd is en zouden het geweldig vinden als hij hier wel lid kan worden, maar hebben er begrip voor als we dat niet zien zitten.’
‘Wat heb je gezegd?’
‘Dat ik het ging overleggen en ze terug zou bellen.’
‘Wat vind je er zelf van?’
‘Dat we het ventje niet bij voorbaat moeten weigeren. Het zal best wat problemen opleveren en het is natuurlijk de vraag hoe de rest van het team erop reageert, maar ik zou het super vinden als we wat voor hen konden betekenen.’
‘Mooi dat je er zo over denkt en ik ben het met je eens. Ik stel daarom voor om de knaap eerst een paar keer mee te laten trainen. Dan kunnen we zien hoe het gaat en als dat niet tegenvalt, is hij wat mij betreft welkom en mag hij ook wedstrijden spelen.’
De voorzitter kijkt opgelucht, maar ziet nog wel problemen.
‘Ik vind het geweldig dat je zo positief bent, maar hoe denk je dat de andere kinderen en hun ouders op het jongetje reageren? Kinderen, maar ook volwassenen kunnen namelijk keihard zijn.’
‘Als iedereen fel tegen is, hebben we een uitdaging, maar dat merken we vanzelf. Ik ga zaterdag zowel met de kinderen als de ouders praten en laat je weten wat zij ervan vinden.’
‘Top. Ik hoop dat iedereen het met ons eens is.’
‘Ik denk niet dat iedereen positief reageert, maar dat hoor ik vanzelf.’
Als Wim ’s zaterdags met zijn team om tafel zit, probeert hij hen zo simpel mogelijk te vertellen wat er met de jongen is. Blijkbaar doet hij dat goed, want ze kijken hem begrijpend aan en maken er geen probleem van. Jos, de mondigste van het stel doet er zelfs laconiek over.
‘Geeft niets dat hij niet zo goed leren kan en problemen met zijn benen heeft. Ik ga namelijk ook naar een aparte school en wij kunnen geen van allen echt goed lopen. Laat hem daarom maar gerust meedoen.’
‘Mee eens.’
‘Dat vind ik ook.’
‘En ik ook.’
‘Mooi jongens. Is er iemand die liever niet wil dat Fred in ons team komt? Niemand? Prachtig. Jullie zien hem volgende week wel op de training.’
Het gesprek dat Wim met de ouders heeft, verloopt minder plezierig. Als hij vertelt wat er te gebeuren staat, ziet hij hun gezichten namelijk en veel reacties zijn verre van positief.
‘Je begrijpt toch zelf ook wel dat het niets wordt met die jongen. Die andere clubs hebben hem niet voor niets geweigerd. We winnen nu al bijna nooit, maar met hem erbij verliezen we alles. Waarom gaat dat joch trouwens niet bij een vereniging met G-voetbal spelen?’
‘Hij is tien en wil graag met kinderen van zijn leeftijd sporten en de dichtstbijzijnde club waar dat kan, zit in Zwolle.’
‘Dat heen en weer rijden moeten die mensen dan maar voor hun kind over hebben.’
‘Gelukkig hebben ze dat ook wel, maar ik begrijp best dat ze hem, als hij niet heel erg uit de toon valt, liever op onze club doen. Dat scheelt ze immers uren reistijd en de kans dat hij bij ons vriendjes maakt, is veel groter dan in Zwolle. Vooral omdat hij hier in het dorp woont.’
‘Ik vind het nogal asociaal van ze, want ze zadelen ons met hun probleem op.’
‘Je doet nu wel heel cru. Ten eerste krijgen jullie geen last van die jongen en ten tweede maken jullie kinderen er geen probleem van dat hij erbij komt. Plus dat hij eerst komt trainen en als dat niet heel erg tegenvalt pas mag voetballen.’
‘Je kunt beter eerlijk zijn.’
‘Dat ben ik ook.’
‘Volgens mij niet. Jij wil namelijk dat die jongen hier ten koste van alles lid wordt, dus geef je je ongelijk nooit toe.’
Als Wim de ouders aankijkt, ziet hij er een paar knikken, maar anderen driftig met hun hoofd schudden. Wanneer hij eraan denkt dat er dus volwassen mensen zijn die het plezier van zo’n jochie willen vergallen, wordt hij emotioneel.
‘Mensen, ik heb mijn verhaal gedaan en besef dat niet iedereen het met me eens is. Dat vind ik erg jammer. Niet omdat ik gelijk moet hebben, maar wel omdat ik menselijk wil zijn en dat is voor sommigen dus minder belangrijk. Er zal echter wel een beslissing moeten worden genomen.’
Wim zwijgt even, maar gaat dan verder.
‘Ik stel daarom voor dat jullie er nog eens over nadenken en vraag de mensen die tegen de komst van dat ventje zijn me dit voor maandag te laten weten. De tegenstanders wil ik trouwens vragen om zich in te denken hoe zij het zouden vinden als hun kind ergens geweerd werd vanwege zijn of haar beperking.’
Als hij de ouders elkaar aan ziet kijken, wacht hij even zodat ze zijn woorden goed op zich in kunnen laten werken.
‘U denkt daar nu misschien gemakkelijk over, omdat uw kind geen beperking heeft. Besef echter dat dit snel kan veranderen. Een ongeluk of een ziekte zitten immers in een klein hoekje en kunnen iemands leven in tijd van even op zijn kop zetten. Ik heb echter genoeg gepraat en hoor wel of er tegenstanders blijven.’
Omdat Wims telefoon het hele weekend ‘stil’ blijft, belt hij ’s maandagsavonds met een opgeruimd gevoel de voorzitter.

Verkoop en prijs per 4 stuks
Tekstkaarsen droogbloemen
Een sfeervol cadeautje voor de man of vrouw die bijzonder voor u is.
De kaarsjes kunnen op bijzondere momenten opgebrand worden, maar
ook ter decoratie ergens neer worden gezet. Deze kaarsjes vertellen
wat u van iemand vindt.
KLIK HIER VOOR MEER KAARSEN