Omschrijving
‘Mam.’
‘Ja, jongen.’
‘Mag ik zaterdag met Freddie mee naar Fortuna?’
‘Hoezo? Jij voetbalt toch bij VRO?’
‘Klopt, maar bij ons is er nooit iets te doen en bij Fortuna organiseren ze elke week iets leuks en daar mogen ook kinderen aan meedoen die geen lid zijn. Mag het? Volgens Freddie is het erg leuk en thuis verveel ik me toch maar.’
‘Zullen we eerst aan je vader vragen wat hij ervan vindt? Hij is over een half uurtje thuis. Kost het trouwens iets om mee te mogen doen en moeten we je ergens opgeven?’
‘Volgens Freddie is het gratis en hij geeft me op.’
‘Mooi. Als je vader thuiskomt, hoor je meer.’
De jongen knikt en loopt naar boven. Trudie, zijn moeder, die een beetje geschrokken is van zijn vraag, begrijpt hem wel. Hij wil graag voetballen en bij zijn club hebben ze sinds het begin van de lockdown niets voor de kinderen gedaan.
Ze trainen alleen één keer per week en zelfs dat is al meerdere keren afgelast. Daarom vindt ze het logisch dat hij met zijn vriendje mee wil. Het probleem is echter dat zijn vader niet zoveel of eigenlijk niets van Fortuna moet hebben.
Hoewel ze dat onzin vindt, besluit ze de vraag van haar zoon daarom toch eerst met hem te bespreken. Ze heeft namelijk een hekel aan ruzie en houdt er zelf ook niet van dat hij iets buiten haar om doet.
Omdat ze vermoedt dat haar zoontje straks meteen naar buiten rent als hij zijn vader aan ziet komen, besluit ze haar man vast even te bellen.
‘Met Ruud.’
‘Hoi. Ik zit met een probleempje. Roel wil zaterdag met Freddie mee naar Fortuna. Daar is blijkbaar een activiteit waar ook kinderen aan mee mogen doen die geen lid zijn.’
Ruud schrikt nog erger dan zijn vrouw deed.
‘Je weet hoe ik over die club denk en ik ben er dan ook niet blij mee. Het is echter wel logisch dat hij daar graag heen wil. Hij is immers dol op voetbal, maar zit nu al weken elke zaterdag thuis. Plus dat hij natuurlijk van Freddie hoort hoe leuk het is. Het probleem is alleen dat dit waarschijnlijk niet bij één keer blijft en hij met wat pech binnenkort lid van Fortuna wil worden.’
‘Dat kan, maar moeten we hem daarom een leuke ochtend ontzeggen? Het gaat er immers niet om wat jij van Fortuna vindt, maar om zijn plezier. Plus dat het natuurlijk niet zeker is dat hij daar binnenkort lid wil worden.’
‘Daar heb je gelijk in. Zullen we hem daarom maar gewoon met Freddie mee laten gaan?’
‘Ik vind het goed.’
‘Dat is dan afgesproken. Ik ga vanavond echter wel iemand van VRO bellen en vertellen wat ik hiervan vind. Als ze zo doorgaan, gaan ze namelijk nog veel meer leden verliezen dan ze de laatste jaren al hebben gedaan.
Als Ruud ’s avonds met VRO belt, ontstaat er een minder plezierig gesprek.
‘Ik denk dat het zaak is om snel wat activiteiten te gaan organiseren. Als onze kinderen
’s zaterdags naar andere clubs gaan, is de kans namelijk erg groot dat ons dit leden gaat kosten.’
‘Zo’n vaart zal dat toch niet lopen. We hebben iedereen via de app gevraagd of we wat extra’s voor de jeugd moesten doen. Het merendeel vond één keer per week trainen echter genoeg. Dat er kinderen naar andere clubs gaan, voorkom je trouwens niet en er komen ook wel spelers van Fortuna hierheen.’
‘Jij weet net zo goed als ik dat er veel meer kinderen bij de club weggaan dan erbij komen. Ik vind het trouwens een slechte zaak dat er bij VRO niets wordt gedaan. Die begeleiders kunnen dat wel niet zien zitten, maar het gaat om de kinderen en die raken we zo kwijt.’
‘Jij hebt gemakkelijk praten, maar wat moeten we dan gaan doen en help jij mee met organiseren? Iedereen klaagt namelijk wel, maar er is niemand die iets voor de vereniging wil doen.’
‘Als ik ergens voor gevraagd wordt, ben ik er en dat weet je. Ik bel je ook niet om te zeuren, maar om een probleem met je te bespreken. De kans dat dit de club leden gaat kosten, is volgens mij namelijk groter dan jij denkt en dat is zonde. Zeker omdat we er al zoveel zijn kwijtgeraakt.’
‘Ik zal aan het bestuur doorgeven dat je gebeld hebt en je merkt vanzelf wat we gaan doen. Verwacht er echter niet te veel van. We hebben in het verleden namelijk diverse keren iets leuks georganiseerd en dan kwamen er maar een paar kinderen op af. De meeste van onze leden willen namelijk wedstrijden spelen en verder niet.’
‘Dan praat je over de senioren, want de kinderen zullen erg blij zijn als er wat wordt georganiseerd. Al bepalen jullie natuurlijk wat er gebeurt.’
‘Dat lijkt me vrij duidelijk. Tot ziens.’
‘Doei.’
Ruud en zijn vrouw denken hetzelfde.
‘Wat een kerel. Niet te geloven toch, zo’n reactie.’
‘Klopt. Je zei niets verkeerds. De kinderen zijn lid om te kunnen trainen en voetballen en daarom moeten zij, nu er geen wedstrijden zijn, voor vervangende activiteiten zorgen. Je zou Roel toch eigenlijk gelijk bij Fortuna aan moeten melden. Zeker als hij het er leuk vindt.’
‘Ik heb altijd gezegd dat hij daar nooit komt te voetballen, maar begin nu toch te twijfelen.’
‘Dat kan ik me heel goed voorstellen.’
Als Roel ’s zaterdags door de ouders van zijn vriendje thuisgebracht wordt, is hij laaiend enthousiast en vraagt hij gelijk aan zijn ouders of hij volgende week weer mee mag. Dat vinden zijn vader en moeder geen probleem, maar ze houden wel een slag om de arm.
‘Zo lang er bij VRO niets wordt georganiseerd, mag je met Freddie mee naar Fortuna.’
‘Gelukkig.’
Omdat er bij VRO niets verandert, blijft Roel meegaan naar Fortuna en komt hij al snel met de vraag of hij lid van die vereniging mag worden. Daar hoeven zijn ouders niet lang over na te denken. Ze willen namelijk niet alleen thuis het beste voor hem, maar ook op het voetbalveld.
‘Ja, jongen.’
‘Mag ik zaterdag met Freddie mee naar Fortuna?’
‘Hoezo? Jij voetbalt toch bij VRO?’
‘Klopt, maar bij ons is er nooit iets te doen en bij Fortuna organiseren ze elke week iets leuks en daar mogen ook kinderen aan meedoen die geen lid zijn. Mag het? Volgens Freddie is het erg leuk en thuis verveel ik me toch maar.’
‘Zullen we eerst aan je vader vragen wat hij ervan vindt? Hij is over een half uurtje thuis. Kost het trouwens iets om mee te mogen doen en moeten we je ergens opgeven?’
‘Volgens Freddie is het gratis en hij geeft me op.’
‘Mooi. Als je vader thuiskomt, hoor je meer.’
De jongen knikt en loopt naar boven. Trudie, zijn moeder, die een beetje geschrokken is van zijn vraag, begrijpt hem wel. Hij wil graag voetballen en bij zijn club hebben ze sinds het begin van de lockdown niets voor de kinderen gedaan.
Ze trainen alleen één keer per week en zelfs dat is al meerdere keren afgelast. Daarom vindt ze het logisch dat hij met zijn vriendje mee wil. Het probleem is echter dat zijn vader niet zoveel of eigenlijk niets van Fortuna moet hebben.
Hoewel ze dat onzin vindt, besluit ze de vraag van haar zoon daarom toch eerst met hem te bespreken. Ze heeft namelijk een hekel aan ruzie en houdt er zelf ook niet van dat hij iets buiten haar om doet.
Omdat ze vermoedt dat haar zoontje straks meteen naar buiten rent als hij zijn vader aan ziet komen, besluit ze haar man vast even te bellen.
‘Met Ruud.’
‘Hoi. Ik zit met een probleempje. Roel wil zaterdag met Freddie mee naar Fortuna. Daar is blijkbaar een activiteit waar ook kinderen aan mee mogen doen die geen lid zijn.’
Ruud schrikt nog erger dan zijn vrouw deed.
‘Je weet hoe ik over die club denk en ik ben er dan ook niet blij mee. Het is echter wel logisch dat hij daar graag heen wil. Hij is immers dol op voetbal, maar zit nu al weken elke zaterdag thuis. Plus dat hij natuurlijk van Freddie hoort hoe leuk het is. Het probleem is alleen dat dit waarschijnlijk niet bij één keer blijft en hij met wat pech binnenkort lid van Fortuna wil worden.’
‘Dat kan, maar moeten we hem daarom een leuke ochtend ontzeggen? Het gaat er immers niet om wat jij van Fortuna vindt, maar om zijn plezier. Plus dat het natuurlijk niet zeker is dat hij daar binnenkort lid wil worden.’
‘Daar heb je gelijk in. Zullen we hem daarom maar gewoon met Freddie mee laten gaan?’
‘Ik vind het goed.’
‘Dat is dan afgesproken. Ik ga vanavond echter wel iemand van VRO bellen en vertellen wat ik hiervan vind. Als ze zo doorgaan, gaan ze namelijk nog veel meer leden verliezen dan ze de laatste jaren al hebben gedaan.
Als Ruud ’s avonds met VRO belt, ontstaat er een minder plezierig gesprek.
‘Ik denk dat het zaak is om snel wat activiteiten te gaan organiseren. Als onze kinderen
’s zaterdags naar andere clubs gaan, is de kans namelijk erg groot dat ons dit leden gaat kosten.’
‘Zo’n vaart zal dat toch niet lopen. We hebben iedereen via de app gevraagd of we wat extra’s voor de jeugd moesten doen. Het merendeel vond één keer per week trainen echter genoeg. Dat er kinderen naar andere clubs gaan, voorkom je trouwens niet en er komen ook wel spelers van Fortuna hierheen.’
‘Jij weet net zo goed als ik dat er veel meer kinderen bij de club weggaan dan erbij komen. Ik vind het trouwens een slechte zaak dat er bij VRO niets wordt gedaan. Die begeleiders kunnen dat wel niet zien zitten, maar het gaat om de kinderen en die raken we zo kwijt.’
‘Jij hebt gemakkelijk praten, maar wat moeten we dan gaan doen en help jij mee met organiseren? Iedereen klaagt namelijk wel, maar er is niemand die iets voor de vereniging wil doen.’
‘Als ik ergens voor gevraagd wordt, ben ik er en dat weet je. Ik bel je ook niet om te zeuren, maar om een probleem met je te bespreken. De kans dat dit de club leden gaat kosten, is volgens mij namelijk groter dan jij denkt en dat is zonde. Zeker omdat we er al zoveel zijn kwijtgeraakt.’
‘Ik zal aan het bestuur doorgeven dat je gebeld hebt en je merkt vanzelf wat we gaan doen. Verwacht er echter niet te veel van. We hebben in het verleden namelijk diverse keren iets leuks georganiseerd en dan kwamen er maar een paar kinderen op af. De meeste van onze leden willen namelijk wedstrijden spelen en verder niet.’
‘Dan praat je over de senioren, want de kinderen zullen erg blij zijn als er wat wordt georganiseerd. Al bepalen jullie natuurlijk wat er gebeurt.’
‘Dat lijkt me vrij duidelijk. Tot ziens.’
‘Doei.’
Ruud en zijn vrouw denken hetzelfde.
‘Wat een kerel. Niet te geloven toch, zo’n reactie.’
‘Klopt. Je zei niets verkeerds. De kinderen zijn lid om te kunnen trainen en voetballen en daarom moeten zij, nu er geen wedstrijden zijn, voor vervangende activiteiten zorgen. Je zou Roel toch eigenlijk gelijk bij Fortuna aan moeten melden. Zeker als hij het er leuk vindt.’
‘Ik heb altijd gezegd dat hij daar nooit komt te voetballen, maar begin nu toch te twijfelen.’
‘Dat kan ik me heel goed voorstellen.’
Als Roel ’s zaterdags door de ouders van zijn vriendje thuisgebracht wordt, is hij laaiend enthousiast en vraagt hij gelijk aan zijn ouders of hij volgende week weer mee mag. Dat vinden zijn vader en moeder geen probleem, maar ze houden wel een slag om de arm.
‘Zo lang er bij VRO niets wordt georganiseerd, mag je met Freddie mee naar Fortuna.’
‘Gelukkig.’
Omdat er bij VRO niets verandert, blijft Roel meegaan naar Fortuna en komt hij al snel met de vraag of hij lid van die vereniging mag worden. Daar hoeven zijn ouders niet lang over na te denken. Ze willen namelijk niet alleen thuis het beste voor hem, maar ook op het voetbalveld.