Omschrijving
De jeugdcommissie van OKB zit bij elkaar in de bestuurskamer voor wat moeilijke zaken. Ze zijn een relatief kleine club en op zich is dat geen probleem. Alleen wel als het op de indeling van de jeugdteams aankomt. De aantallen spelers per leeftijdscategorie komen namelijk nooit mooi uit en dat is ook dit jaar weer niet zo. Bij de JO13 hebben ze namelijk twaalf spelers en voor de JO15 zijn er twintig. Als ze voor drie spelers dispensatie aanvragen bij de KNVB, is het probleem opgelost. Het punt is alleen dat niet iedereen dit een goed plan vindt.
De voorzitter kiest voor de gemakkelijkste weg.
'Ik begrijp niet goed waar jullie moeilijk over doen. We vragen voor drie jongens van de JO15 dispensatie aan en dat krijgen we wel. Op die manier is het probleem opgelost, want dan heeft het ene team er zeventien en het andere vijftien. Dat is wel wat te veel, want bij die teams heb je bijna nooit afzeggers. Ze zullen het er echter mee moeten doen, want een andere optie is er niet.'
'Theoretisch gezien heb je gelijk, maar ik vind het geen goed plan.’
’Waarom niet?’
’De JO15-1 wordt een team met allemaal goede spelers. Die jongens hebben niets meer in de JO13 te zoeken, want dat is ver onder hun niveau. Ik vraag me zelfs af of er wel iemand van hen bereid is om in de JO13 te blijven.’
De voorzitter denkt hier heel gemakkelijk over.
‘Volgens mij hebben ze niets te willen. Wij bepalen wat er gebeurt en niet zij. Sjaak, wat vind jij ervan?’
’Ik ben het met je eens. We vragen voor drie spelers dispensatie aan en daarmee uit. De JO13 krijgt dan een sterk team en dat is lekker voor ze. Als we ze in de vijfde klasse houden, worden ze dan ook zeker kampioen.’
Ted is het niet met zijn collega eens.
’Een kampioenschap is mooi, maar niet op deze manier. In de vijfde klasse winnen ze namelijk alles dik en daar hebben ze na een paar weken wel genoeg van. Plus dat ze er niets van leren.’
’Ik vind dat leren niet zo belangrijk. Het gaat mij er veel meer om dat ze plezier hebben. Daar zullen wij het echter nooit over eens worden. Hoe denk jij dit probleem trouwens op te lossen? Je mag het niet met ons eens zijn, maar dan moet je wel met een beter plan komen.’
De voorzitter, die het blijkbaar te lang vindt gaan duren, komt met een nieuw voorstel.
‘Je zegt dat de JO13 met dispensatiespelers veel te sterk is voor de vijfde klasse.’
’Klopt.’
’Waarom laten we ze dan niet in de vierde klasse doen. Dan spelen ze hoger en krijgen ze ook meer weerstand. Mee eens, Ted?’
’Dat ze in de vierde klasse meer tegenstand krijgen, is waar. Het punt is echter dat ik tegen dispensatiespelers ben. Soms kan het niet anders, maar ik vind dat de spelers in hun eigen leeftijdsklasse moeten spelen.’
’We hebben nu toch geen andere mogelijkheden?’
’Ik vind van wel.’
’Hoe dan?’
’Dat zal ik je uitleggen.’
Ted pakt een papiertje en begint te schrijven.
‘Volgens mij moeten we andersom denken.’
’Hoe bedoel je dat?’
’Bij de JO11 hebben we 22 spelers. 11 voor de JO11-1 en 11 voor de JO11-2. Dat is ruim, dus kunnen ze er best wat missen. Bijvoorbeeld Alexander en Jan Willem. Dat zijn leuke en enthousiaste kinderen, maar qua voetbal zijn ze de minste van het team. Als we hen overdoen naar de JO13 snijdt het mes aan twee en zelfs aan drie kanten. Ten eerste krijgt de JO13 zo voldoende spelers. Ten tweede houdt de JO11 negen talentvolle spelers over, waardoor ze als team sterker worden. Plus dat het me voor die twee jongens ook leuker lijkt. Ze zijn namelijk bijna twee jaar ouder dan de rest van hun team en dat op die leeftijd een heel eind.’
Het blijft even stil, want niemand had blijkbaar aan deze mogelijkheid gedacht. De voorzitter blijkt echter weinig voor Teds plannen te voelen.
’Je zegt net dat we de spelers in hun eigen leeftijdsklasse moeten laten spelen, maar nu wil je die twee JO11 spelers wel naar de JO13 doen.’
’Die jongens zijn twee en drie weken te jong voor de JO13.’
’Oké, dan is dat geen probleem en ben ik het met je eens. We zitten echter nog wel met de JO15.’
’Daar heb ik ook een oplossing voor.’
’Ik ben benieuwd.’
’We hebben een JO17-1 en een JO17-2. Die hebben samen 24 spelers en kunnen er dus nog wel vijf bij hebben. In die leeftijd heb je immers vaker afzeggers. Ik stel daarom voor om de fysiek sterkste jongens omhoog te doen. Bijvoorbeeld Rob, Ed, Leo, Fred en Jos. Ik geloof trouwens dat dit ook de oudste spelers van de JO15 zijn. Dat team wordt zonder die vijf knapen niet zwakker en we hebben alle problemen opgelost. Tenminste, voor nu. Als er meerdere spelers bij komen of vertrekken, kunnen we namelijk weer opnieuw beginnen.’
Sjaak reageert wat geïrriteerd.
’Net zeg je nog dat we onze talenten op hun eigen niveau moeten laten spelen, maar je wil wel vijf spelers van de JO15 naar de JO17-2 doen.’
’Heb ik gezegd dat ze naar de JO17-2 moeten?’
’Nee, maar wat wil je dan? Ze naar de JO17-1 doen? Dat redden ze toch nooit. Je had het net over spelers die stil kwamen te staan in hun ontwikkeling, maar dat gaan deze jongens zeker doen. Iedereen die iets van voetbal begrijpt weet namelijk dat ze er in de JO17-1 voor spek en bonen bij lopen. Het valt me trouwens van je tegen dat jij daar dus anders over denkt.’
’Jij mag alles vinden. Ik weet echter zeker dat die jongens het op hun slofjes redden in de JO17-1. Als er niets geks gebeurt, garandeer ik je zelfs dat ze daar nog beter spelen dan ze nu doen.’
De voorzitter is het ook niet met Ted eens.
‘Je verhaal klinkt leuk, maar ik ben er zeker van dat het niets wordt. Daarom voel ik meer voor wat Sjaak zei. Voor drie jongens dispensatie aanvragen en de teams laag indelen. Dan wordt er veel gewonnen, hebben we waarschijnlijk weer eens kampioenen en is iedereen blij. Doen we het op jouw manier, dan moet iedereen echter elke week vol aan de bak, verliezen we vaker en ontstaat er vanzelf gezeur. Het past trouwens ook niet bij onze club om ze prestatief te denken.’
Ted geeft niet op.
’Jullie maken je zorgen om niets. Als we op mijn manier indelen, worden de teams namelijk sterker. Plus dat de meeste spelers er betere voetballers door worden. Ik besef echter dat onze meningen te ver uiteen liggen om dit eens te worden. Daarom stel ik voor om de trainers erbij te betrekken. Zij kennen de jongens en meisjes immers door en door en hebben stuk voor stuk goed kijk op voetbal en jeugdopleiding.’
’Met dat voorstel kan ik leven en ik zie dat de anderen hier ook mee eens zijn. Besef echter wel, dat zij het ook oneens met je kunnen zijn.’
’Daar hou ik rekening mee en is geen probleem voor me. De meerderheid beslist tenslotte.’
Als de jeugdcommissie een week later met de jeugdtrainers om tafel zit, is de zaak al snel beklonken. Eén trainer heeft eerst nog wat twijfels en moet overtuigd worden, maar de anderen zijn het gelijk met Ted eens.
De voorzitter kiest voor de gemakkelijkste weg.
'Ik begrijp niet goed waar jullie moeilijk over doen. We vragen voor drie jongens van de JO15 dispensatie aan en dat krijgen we wel. Op die manier is het probleem opgelost, want dan heeft het ene team er zeventien en het andere vijftien. Dat is wel wat te veel, want bij die teams heb je bijna nooit afzeggers. Ze zullen het er echter mee moeten doen, want een andere optie is er niet.'
'Theoretisch gezien heb je gelijk, maar ik vind het geen goed plan.’
’Waarom niet?’
’De JO15-1 wordt een team met allemaal goede spelers. Die jongens hebben niets meer in de JO13 te zoeken, want dat is ver onder hun niveau. Ik vraag me zelfs af of er wel iemand van hen bereid is om in de JO13 te blijven.’
De voorzitter denkt hier heel gemakkelijk over.
‘Volgens mij hebben ze niets te willen. Wij bepalen wat er gebeurt en niet zij. Sjaak, wat vind jij ervan?’
’Ik ben het met je eens. We vragen voor drie spelers dispensatie aan en daarmee uit. De JO13 krijgt dan een sterk team en dat is lekker voor ze. Als we ze in de vijfde klasse houden, worden ze dan ook zeker kampioen.’
Ted is het niet met zijn collega eens.
’Een kampioenschap is mooi, maar niet op deze manier. In de vijfde klasse winnen ze namelijk alles dik en daar hebben ze na een paar weken wel genoeg van. Plus dat ze er niets van leren.’
’Ik vind dat leren niet zo belangrijk. Het gaat mij er veel meer om dat ze plezier hebben. Daar zullen wij het echter nooit over eens worden. Hoe denk jij dit probleem trouwens op te lossen? Je mag het niet met ons eens zijn, maar dan moet je wel met een beter plan komen.’
De voorzitter, die het blijkbaar te lang vindt gaan duren, komt met een nieuw voorstel.
‘Je zegt dat de JO13 met dispensatiespelers veel te sterk is voor de vijfde klasse.’
’Klopt.’
’Waarom laten we ze dan niet in de vierde klasse doen. Dan spelen ze hoger en krijgen ze ook meer weerstand. Mee eens, Ted?’
’Dat ze in de vierde klasse meer tegenstand krijgen, is waar. Het punt is echter dat ik tegen dispensatiespelers ben. Soms kan het niet anders, maar ik vind dat de spelers in hun eigen leeftijdsklasse moeten spelen.’
’We hebben nu toch geen andere mogelijkheden?’
’Ik vind van wel.’
’Hoe dan?’
’Dat zal ik je uitleggen.’
Ted pakt een papiertje en begint te schrijven.
‘Volgens mij moeten we andersom denken.’
’Hoe bedoel je dat?’
’Bij de JO11 hebben we 22 spelers. 11 voor de JO11-1 en 11 voor de JO11-2. Dat is ruim, dus kunnen ze er best wat missen. Bijvoorbeeld Alexander en Jan Willem. Dat zijn leuke en enthousiaste kinderen, maar qua voetbal zijn ze de minste van het team. Als we hen overdoen naar de JO13 snijdt het mes aan twee en zelfs aan drie kanten. Ten eerste krijgt de JO13 zo voldoende spelers. Ten tweede houdt de JO11 negen talentvolle spelers over, waardoor ze als team sterker worden. Plus dat het me voor die twee jongens ook leuker lijkt. Ze zijn namelijk bijna twee jaar ouder dan de rest van hun team en dat op die leeftijd een heel eind.’
Het blijft even stil, want niemand had blijkbaar aan deze mogelijkheid gedacht. De voorzitter blijkt echter weinig voor Teds plannen te voelen.
’Je zegt net dat we de spelers in hun eigen leeftijdsklasse moeten laten spelen, maar nu wil je die twee JO11 spelers wel naar de JO13 doen.’
’Die jongens zijn twee en drie weken te jong voor de JO13.’
’Oké, dan is dat geen probleem en ben ik het met je eens. We zitten echter nog wel met de JO15.’
’Daar heb ik ook een oplossing voor.’
’Ik ben benieuwd.’
’We hebben een JO17-1 en een JO17-2. Die hebben samen 24 spelers en kunnen er dus nog wel vijf bij hebben. In die leeftijd heb je immers vaker afzeggers. Ik stel daarom voor om de fysiek sterkste jongens omhoog te doen. Bijvoorbeeld Rob, Ed, Leo, Fred en Jos. Ik geloof trouwens dat dit ook de oudste spelers van de JO15 zijn. Dat team wordt zonder die vijf knapen niet zwakker en we hebben alle problemen opgelost. Tenminste, voor nu. Als er meerdere spelers bij komen of vertrekken, kunnen we namelijk weer opnieuw beginnen.’
Sjaak reageert wat geïrriteerd.
’Net zeg je nog dat we onze talenten op hun eigen niveau moeten laten spelen, maar je wil wel vijf spelers van de JO15 naar de JO17-2 doen.’
’Heb ik gezegd dat ze naar de JO17-2 moeten?’
’Nee, maar wat wil je dan? Ze naar de JO17-1 doen? Dat redden ze toch nooit. Je had het net over spelers die stil kwamen te staan in hun ontwikkeling, maar dat gaan deze jongens zeker doen. Iedereen die iets van voetbal begrijpt weet namelijk dat ze er in de JO17-1 voor spek en bonen bij lopen. Het valt me trouwens van je tegen dat jij daar dus anders over denkt.’
’Jij mag alles vinden. Ik weet echter zeker dat die jongens het op hun slofjes redden in de JO17-1. Als er niets geks gebeurt, garandeer ik je zelfs dat ze daar nog beter spelen dan ze nu doen.’
De voorzitter is het ook niet met Ted eens.
‘Je verhaal klinkt leuk, maar ik ben er zeker van dat het niets wordt. Daarom voel ik meer voor wat Sjaak zei. Voor drie jongens dispensatie aanvragen en de teams laag indelen. Dan wordt er veel gewonnen, hebben we waarschijnlijk weer eens kampioenen en is iedereen blij. Doen we het op jouw manier, dan moet iedereen echter elke week vol aan de bak, verliezen we vaker en ontstaat er vanzelf gezeur. Het past trouwens ook niet bij onze club om ze prestatief te denken.’
Ted geeft niet op.
’Jullie maken je zorgen om niets. Als we op mijn manier indelen, worden de teams namelijk sterker. Plus dat de meeste spelers er betere voetballers door worden. Ik besef echter dat onze meningen te ver uiteen liggen om dit eens te worden. Daarom stel ik voor om de trainers erbij te betrekken. Zij kennen de jongens en meisjes immers door en door en hebben stuk voor stuk goed kijk op voetbal en jeugdopleiding.’
’Met dat voorstel kan ik leven en ik zie dat de anderen hier ook mee eens zijn. Besef echter wel, dat zij het ook oneens met je kunnen zijn.’
’Daar hou ik rekening mee en is geen probleem voor me. De meerderheid beslist tenslotte.’
Als de jeugdcommissie een week later met de jeugdtrainers om tafel zit, is de zaak al snel beklonken. Eén trainer heeft eerst nog wat twijfels en moet overtuigd worden, maar de anderen zijn het gelijk met Ted eens.