Omschrijving
‘Opschieten Jeffrey, we moeten zo gaan. ‘
‘Nu al? Ik hoef pas om half tien bij KVVH te zijn.’
‘Dat weet ik, maar papa en ik moeten weg en daarom brengen we je wat eerder. We komen je tegen half vijf weer ophalen. Hier heb je twintig euro, dan kun je kopen wat je wilt.’
Jeffrey zegt niets en is teleurgesteld, want hij had liever dat zijn ouders mee naar het voetbalveld gingen. Toen hij net op voetbal zat, deden ze dat ook wel. Dit seizoen hebben ze echter steeds iets anders. Hoewel hij hier ondertussen aan gewend is, blijft hij het naar vinden. Hij is namelijk de enige van de JO9-3 die altijd alleen is en heeft nog wel een paar keer aan zijn ouders gevraagd waarom ze nooit meer kwamen, maar daar is hij mee gestopt. De laatste keer werd zijn moeder namelijk kwaad en dreigde ze hem van de club te zullen halen. Daar is hij enorm van geschrokken en daarom zwijgt hij er vanaf dat moment over.
Omdat zijn ouders een hekel aan wachten hebben, gaat hij snel zijn voetbalspullen pakken.
Hij trekt ook zijn dikste jas aan, want het lijkt nogal gevroren te hebben. Als hij met zijn vader en moeder naar de auto loopt, blijkt het zelfs nog kouder te zijn dan hij had verwacht.
‘Ik hoop maar dat ik straks mijn trainingsbroek aan mag houden en had misschien een trui mee moeten nemen om onder mijn shirt te doen?’
‘Dat kan nu niet meer, hoor. We moeten om tien uur in Zwolle zijn en eigenlijk nog iets eerder.’
‘Wat gaan jullie daar doen dan?’
‘We gaan allebei een nieuwe laptop kopen.’
‘Krijg ik dan die van jou, pap?’
‘Best, maar dan wil ik het hele weekend geen last meer van je hebben.’
‘Dat is goed.’
Jeffrey zwijgt en springt snel in de auto, want hij is erg blij met de laptop van zijn vader. Daar kan hij zich immers mooi mee vermaken als zijn ouders hem vroeg naar zijn kamer sturen.
Het voetbalveld is niet ver en daarom zien ze in de verte al snel de lichtmasten staan. Als ze er bijna zijn, ziet Jeffrey dat er nog niemand is.
‘Zou het soms niet doorgaan?’
‘Natuurlijk wel. We zijn gewoon vroeg. Ga maar snel naar de kantine, dan komt de rest van je team zo ook wel. Heb je genoeg geld bij je?’
‘Ja, ik heb twintig euro van mama gekregen.’
‘Hier heb je nóg een tientje. Ga nu maar snel.’
De jongen kijkt zijn vader ongelovig aan, maar denkt aan de beloofde laptop en stapt daarom zonder iets te zeggen uit. Zoenen doet hij ze niet. Wel zwaaien, maar dat is eigenlijk overbodig.
Zijn vader rijdt namelijk met een sneltreinvaart weg en toetert niet eens. Dit soort zaken zijn echter al zo gewoon voor Jeffrey, dat hij er niet over nadenkt en vlug naar de kantine holt.
Daar wacht hem echter een nare verrassing, want de deur zit dicht en op het raam hangt een papier waarop staat dat alles afgelast is. Dit betekent dus dat hij hier alleen is en het ergste is dat hij voorlopig ook niet naar huis kan.
De tranen springen het kereltje daarom in zijn ogen en hij vraagt zich angstig af wat hij nu moet. Zijn ouders bellen kan niet, want hij weet hun nummers niet. De opa’s en oma’s wonen ver weg en naar de buren durft hij niet. Daar hebben zijn ouders namelijk ruzie mee. Plus dat hij ook niet naar een van zijn vriendjes hoeft te gaan, want die zijn korfballen. Dat is ’s winters namelijk in de sporthal en gaat dus altijd door. Als hij beseft dat hij dus de hele dag alleen door het dorp zal moeten zwerven, wordt het hem te veel. Daarom barst hij in snikken uit en rent hij in de richting van het dorp.
Als hij op de doorgaande weg komt en het geluid van het drukke verkeer hoort, wordt hij steeds banger. Daardoor begint hij nog veel harder te rennen en let hij nergens meer op. Als hij naar de andere kant van de weg wil, wordt hem dit fataal. Hij holt namelijk in volle vaart voor een grote Mercedes. De bestuurder probeert hem wel te ontwijken, maar dat mislukt. Daarom belandt hij met een enorme klap, via de motorkap, in de berm langs de weg. Omdat het enorm druk is op de weg, staan er al snel heel veel mensen om het slachtoffertje heen.
Er is gelijk iemand die 112 belt en een ander rijdt naar Jeffrey’s huis om zijn ouders in te lichten. Daar komt hij echter voor een dichte deur en ook de mensen in de buurt kunnen hem niet helpen.
Hierdoor moet de jongen, die zwaargewond en nog steeds niet bij kennis is, dus zonder zijn ouders voor zijn leven vechten. Als de ambulance arriveert, zien ook zij dat het ernstig en daarom duurt het niet lang voor ze met zwaailicht en sirenes richting het ziekenhuis racen. Daar zijn alle voorbereidingen al getroffen en probeert men zo snel mogelijk een beeld te krijgen van Jeffrey’s verwondingen. De vooruitzichten zijn echter niet best. Ten eerste zal hij nooit meer kunnen lopen en ten tweede heeft hij erg veel inwendig letsel. Hierdoor is men genoodzaakt om snel een zware operatie uit te voeren en besluit men hem daarna voorlopig slapend te houden.
Pas na een aantal dagen is zijn toestand zo verbeterd dat men durft te minderen met de medicijnen. Als hij daardoor na een tijdje wakker wordt, ziet hij dat zijn vader bij hem is.
‘Pap, ik heb niet gezeurd. Krijg ik nu je oude laptop? Waarom ben ik eigenlijk hier? Wat is er gebeurd? Ik heb helemaal geen gevoel meer in mijn benen. Hoe kan dat nou?’
Als de jongen op een kinderlijke wijze wordt verteld waarom hij hier ligt en hoe erg het met hem is, is hij niet eens heel verdrietig. Hij gelooft namelijk niet dat zijn vader en de arts gelijk hebben. Iedereen kan immers lopen, dus hij ook.
Na een paar dagen begint hij echter langzaam te beseffen dat het wel waar was wat ze zeiden en stort zijn wereld in. Vooral omdat hij er, ondanks zijn jonge leeftijd, stellig van overtuigd is dat zijn ouders dit drama hadden kunnen voorkomen.
Natuurlijk is hij zelf voor de auto gerend, maar als zijn vader en moeder niet waren gaan winkelen, was dit nooit gebeurd. Hij had ze dan immers kunnen bellen en niet bang hoeven zijn.
Het gevoel dat ze zijn leven hebben verwoest wordt steeds sterker en dat zorgt voor verwijdering. Zo erg zelfs, dat hij op zijn achttiende de deur uitgaat en het contact met zijn ouders voorgoed verbreekt.
‘Nu al? Ik hoef pas om half tien bij KVVH te zijn.’
‘Dat weet ik, maar papa en ik moeten weg en daarom brengen we je wat eerder. We komen je tegen half vijf weer ophalen. Hier heb je twintig euro, dan kun je kopen wat je wilt.’
Jeffrey zegt niets en is teleurgesteld, want hij had liever dat zijn ouders mee naar het voetbalveld gingen. Toen hij net op voetbal zat, deden ze dat ook wel. Dit seizoen hebben ze echter steeds iets anders. Hoewel hij hier ondertussen aan gewend is, blijft hij het naar vinden. Hij is namelijk de enige van de JO9-3 die altijd alleen is en heeft nog wel een paar keer aan zijn ouders gevraagd waarom ze nooit meer kwamen, maar daar is hij mee gestopt. De laatste keer werd zijn moeder namelijk kwaad en dreigde ze hem van de club te zullen halen. Daar is hij enorm van geschrokken en daarom zwijgt hij er vanaf dat moment over.
Omdat zijn ouders een hekel aan wachten hebben, gaat hij snel zijn voetbalspullen pakken.
Hij trekt ook zijn dikste jas aan, want het lijkt nogal gevroren te hebben. Als hij met zijn vader en moeder naar de auto loopt, blijkt het zelfs nog kouder te zijn dan hij had verwacht.
‘Ik hoop maar dat ik straks mijn trainingsbroek aan mag houden en had misschien een trui mee moeten nemen om onder mijn shirt te doen?’
‘Dat kan nu niet meer, hoor. We moeten om tien uur in Zwolle zijn en eigenlijk nog iets eerder.’
‘Wat gaan jullie daar doen dan?’
‘We gaan allebei een nieuwe laptop kopen.’
‘Krijg ik dan die van jou, pap?’
‘Best, maar dan wil ik het hele weekend geen last meer van je hebben.’
‘Dat is goed.’
Jeffrey zwijgt en springt snel in de auto, want hij is erg blij met de laptop van zijn vader. Daar kan hij zich immers mooi mee vermaken als zijn ouders hem vroeg naar zijn kamer sturen.
Het voetbalveld is niet ver en daarom zien ze in de verte al snel de lichtmasten staan. Als ze er bijna zijn, ziet Jeffrey dat er nog niemand is.
‘Zou het soms niet doorgaan?’
‘Natuurlijk wel. We zijn gewoon vroeg. Ga maar snel naar de kantine, dan komt de rest van je team zo ook wel. Heb je genoeg geld bij je?’
‘Ja, ik heb twintig euro van mama gekregen.’
‘Hier heb je nóg een tientje. Ga nu maar snel.’
De jongen kijkt zijn vader ongelovig aan, maar denkt aan de beloofde laptop en stapt daarom zonder iets te zeggen uit. Zoenen doet hij ze niet. Wel zwaaien, maar dat is eigenlijk overbodig.
Zijn vader rijdt namelijk met een sneltreinvaart weg en toetert niet eens. Dit soort zaken zijn echter al zo gewoon voor Jeffrey, dat hij er niet over nadenkt en vlug naar de kantine holt.
Daar wacht hem echter een nare verrassing, want de deur zit dicht en op het raam hangt een papier waarop staat dat alles afgelast is. Dit betekent dus dat hij hier alleen is en het ergste is dat hij voorlopig ook niet naar huis kan.
De tranen springen het kereltje daarom in zijn ogen en hij vraagt zich angstig af wat hij nu moet. Zijn ouders bellen kan niet, want hij weet hun nummers niet. De opa’s en oma’s wonen ver weg en naar de buren durft hij niet. Daar hebben zijn ouders namelijk ruzie mee. Plus dat hij ook niet naar een van zijn vriendjes hoeft te gaan, want die zijn korfballen. Dat is ’s winters namelijk in de sporthal en gaat dus altijd door. Als hij beseft dat hij dus de hele dag alleen door het dorp zal moeten zwerven, wordt het hem te veel. Daarom barst hij in snikken uit en rent hij in de richting van het dorp.
Als hij op de doorgaande weg komt en het geluid van het drukke verkeer hoort, wordt hij steeds banger. Daardoor begint hij nog veel harder te rennen en let hij nergens meer op. Als hij naar de andere kant van de weg wil, wordt hem dit fataal. Hij holt namelijk in volle vaart voor een grote Mercedes. De bestuurder probeert hem wel te ontwijken, maar dat mislukt. Daarom belandt hij met een enorme klap, via de motorkap, in de berm langs de weg. Omdat het enorm druk is op de weg, staan er al snel heel veel mensen om het slachtoffertje heen.
Er is gelijk iemand die 112 belt en een ander rijdt naar Jeffrey’s huis om zijn ouders in te lichten. Daar komt hij echter voor een dichte deur en ook de mensen in de buurt kunnen hem niet helpen.
Hierdoor moet de jongen, die zwaargewond en nog steeds niet bij kennis is, dus zonder zijn ouders voor zijn leven vechten. Als de ambulance arriveert, zien ook zij dat het ernstig en daarom duurt het niet lang voor ze met zwaailicht en sirenes richting het ziekenhuis racen. Daar zijn alle voorbereidingen al getroffen en probeert men zo snel mogelijk een beeld te krijgen van Jeffrey’s verwondingen. De vooruitzichten zijn echter niet best. Ten eerste zal hij nooit meer kunnen lopen en ten tweede heeft hij erg veel inwendig letsel. Hierdoor is men genoodzaakt om snel een zware operatie uit te voeren en besluit men hem daarna voorlopig slapend te houden.
Pas na een aantal dagen is zijn toestand zo verbeterd dat men durft te minderen met de medicijnen. Als hij daardoor na een tijdje wakker wordt, ziet hij dat zijn vader bij hem is.
‘Pap, ik heb niet gezeurd. Krijg ik nu je oude laptop? Waarom ben ik eigenlijk hier? Wat is er gebeurd? Ik heb helemaal geen gevoel meer in mijn benen. Hoe kan dat nou?’
Als de jongen op een kinderlijke wijze wordt verteld waarom hij hier ligt en hoe erg het met hem is, is hij niet eens heel verdrietig. Hij gelooft namelijk niet dat zijn vader en de arts gelijk hebben. Iedereen kan immers lopen, dus hij ook.
Na een paar dagen begint hij echter langzaam te beseffen dat het wel waar was wat ze zeiden en stort zijn wereld in. Vooral omdat hij er, ondanks zijn jonge leeftijd, stellig van overtuigd is dat zijn ouders dit drama hadden kunnen voorkomen.
Natuurlijk is hij zelf voor de auto gerend, maar als zijn vader en moeder niet waren gaan winkelen, was dit nooit gebeurd. Hij had ze dan immers kunnen bellen en niet bang hoeven zijn.
Het gevoel dat ze zijn leven hebben verwoest wordt steeds sterker en dat zorgt voor verwijdering. Zo erg zelfs, dat hij op zijn achttiende de deur uitgaat en het contact met zijn ouders voorgoed verbreekt.